Vaak hebben we het over boeddhistische training. Mijn leraar Kennett Roshi gebruikte deze term veel. Ze zei soms dat de term training niet helemaal juist was, maar dat ze geen betere term kon bedenken. Waarom zei ze dat?

Als we denken aan training in wereldse zin, dan denken we meestal aan het trainen van iemand, of het trainen van zichzelf, om iets te zijn of om iemand te zijn. Zo zou men kunnen worden opgeleid tot dokter, advocaat of metselaar. Of misschien, om dit of dat soort persoon te zijn, misschien een meer assertieve of zelfs een meer compassievolle. Dit zijn allemaal trainingen om iets van zichzelf te maken.

In een echte boeddhistische training traint men echter om niét iemand te zijn. Men traint om niét iets van zichzelf te maken. In het boeddhisme is het zelf een illusie en wordt het gezien als de wortel van alle waanideeën, de belangrijkste barrière voor de bevrijding. We spreken van hebzucht, haat en waanideeën en het waanidee-element in dit drietal is de zelfingenomenheid. Het omvat elke vorm van pretentie of gehechtheid aan identiteit. Dit is wat we proberen te overwinnen.

Dit betekent dus niet beweren dat "ik zo en zo ben, en daarom moet ik op zo en zo'n manier behandeld worden". "Speciale aandacht is aan mij verschuldigd." "Niemand mag vergeten dat ik een speciaal geval ben..." Het kan zijn dat ik op een of andere manier superieur of inferieur ben. Sommige mensen zijn echt verknocht aan het idee dat ze slachtoffer zijn en daardoor speciale aandacht verdienen. Anderen zijn gehecht aan hun hoge status. Dus, boeddhistische training gaat over het overwinnen van zowel "ik ben" als "ik ben niet".

Boeddha zegt in de Vajracchedikā bijvoorbeeld dat iemand die dit niet heeft overwonnen geen discipel van hem is. Meester Lin Chi verwoordde hetzelfde idee door te zeggen dat "er een persoon is zonder rang".  Zelfs als men een positie inneemt moet men weten dat men eigenlijk een persoon zonder rang is. Men moet niet gehecht raken aan de rol. Je bent misschien het hoofd van dit of dat, maar je bent niemand.

In de ‘Samenvatting van Geloof en Praktijk’ zeggen we: 'Denk niet dat je iets van jezelf maakt'. In de praktijk betekent dit gewoon het werk doen, nuttig zijn zonder uit de rol enig gevoel van eigen bijzonderheid af te leiden. Het betekent dat je niet de illusie voor jezelf creëert dat je van een speciale categorie bent.

De zelfingenomenheid komt al snel naar voren in alle hiërarchische kwesties. De goed geschoolde persoon - de bodhisattva - is net zo goed in staat om superordinaat, subordinaat of in een positie van gelijkheid te zijn. De bodhisattva kan met gemak in of uit een van deze posities glijden. Gewone mensen hebben echter de neiging om moeilijkheden te hebben op dit gebied. Wanneer ze ondergeschikt zijn, worden ze rancuneus, maar wanneer ze superieur zijn, kunnen ze de verantwoordelijkheid niet aan en worden ze egoïstisch. En wanneer ze zich in een positie van gelijkheid bevinden, worden ze concurrerend of, in het andere geval, laten ze alle verantwoordelijkheidsgevoel varen en laten ze de taak over aan anderen. Dit alles is zelfingenomenheid en in de boeddhistische training is dit precies wat men probeert te overwinnen en los te laten.

Als we zeggen dat de Tathāgata ons accepteert "zoals we zijn", bedoelen we dat hij ons accepteert zoals we werkelijk zijn. Dat wil zeggen: mensen zonder rang. Niet dat hij ons accepteert zoals we ons graag inbeelden wie we zijn: als mensen die speciale aandacht nodig hebben en waar op een speciale manier over nagedacht moet worden. Dat is wat bedoeld wordt met boeddhistische training.

Namo Amida Bu                       Dank u wel.

Dharmavidya                            David

Geplaatst door Tineke Osterloh op 24 december 2020 en vertaald in het Nederlands door Vajrapala

You need to be a member of David Brazier at La Ville au Roi (Eleusis) to add comments!

Join David Brazier at La Ville au Roi (Eleusis)

Email me when people reply –